Over hoe hoop en angst in verslaving ons in de weg staan en hoe vertrouwen de echte basis vormt voor herstel
De illusie van verslaving wordt gekenmerkt door een wanhopig verlangen om te ontsnappen aan wat hier en nu aanwezig is. Soms gaat het om de onrust van craving zelf. Soms om het dempen van een maalstroom aan gedachten en emoties. Soms om het ontvluchten van de spanning van het dagelijks leven. Onze verslaving – of het nu gaat om de middelen die we ‘heel lekker’ vonden, of om het destructieve gedrag dat zich boven, onder of naast dat ‘heel lekkere’ bevindt – beweegt zich hoe dan ook steeds tussen twee belangrijke polen: die van angst en die van hoop.
Er is de terugkerende hoop – zo vaak terugkerend dat ze wanhopig wordt – dat het aan de ‘overkant’ beter zal zijn. Beter in het middel, beter in het gedrag, kortom: alles is beter, als het maar ergens anders is dan hier. Niet voor niets schrijft de Tibetaans-boeddhistische non Pema Chödrön in haar boek Als je wereld instort dat hoop, net als onze verdovende middelen en ons destructieve gedrag, zelf ook verslavend kan zijn. Ze schrijft onder meer:
“We zijn allemaal op onze eigen manier verslaafd aan hoop. Hoop is de andere kant van angst. Beide komen voort uit het gevoel dat we iets tekort komen. Met hoop ontspannen we in een illusie, maar niet met onszelf.”
Wanneer we hopen dat we elders heel worden, zeggen we tegelijk dat dit moment niet voldoende is. Dat we hier, nu, gebroken zijn. Zo blijven we voortdurend onderweg naar iets anders. Dat is de paradox van hoop: ze lijkt ons vooruit te trekken. Maar ze berooft ons van het enige moment dat werkelijk bestaat: het hier-en-nu. Door steeds vooruit te kijken, zijn we blind voor dit moment.
In No Time Like the Present beschrijft zenleraar en psycholoog Jack Kornfield hoe hij als jonge monnik in het klooster waar hij studeerde regelmatig zijn leraar bezocht. Telkens vertelde hij zijn leraar over ervaringen die op dat moment allesbepalend leken voor hem: een intense angst, een bijzondere meditatie of diepe zorgen over de wereld. Zijn leraar luisterde aandachtig, glimlachend, zoals een grootvader warm kijkt naar een kind dat trots zijn zandkasteel laat zien. Wanneer Jack dan was uitgesproken, herhaalde de leraar deze boodschap voor Jack:
“Als je blijft vasthouden aan je verwachtingen, verlies je de wijsheid van dit moment. Wees degene die waarneemt wat er gebeurt. Zo groeit vertrouwen.”
Hoe vertrouwen groeit
Stel jezelf eens een andere vraag. Niet: waar hoop ik op? Maar: waar vertrouw ik op? Niet het vertrouwen van gedachteloos handelen op de automatische piloot. Dat is geen vertrouwen, maar gewoonte. Werkelijk vertrouwen ontstaat wanneer je aanwezig bent bij dit moment – wat dit moment ook bevat. Soms lijkt een moment leeg of saai. Soms is er rust. Maar er zijn ook momenten van pijn, onrust, schaamte, verdriet of diepe eenzaamheid.
Wat zou er gebeuren als je ook op die momenten kon vertrouwen? Niet door ze weg te duwen of te beoordelen – dit moment is slecht, dat moment is goed – maar door je ermee te verbinden. De Perzische dichter en soefi-mysticus Rumi schreef in dit kader onder andere: “Doe alsof het universum in jouw voordeel werkt.”

Alleen al die gedachte kan iets laten ontspannen. Je adem wordt rustiger. Je hartslag vertraagt. Wanneer angst zegt: dit moment mag er niet zijn, zegt hoop: een ander moment zal beter zijn. Vertrouwen zegt iets anders. Het zegt: Wat dit moment ook brengt, ik verbind me ermee. Daarmee verschuift ons perspectief van oordeel naar relatie. Van verzet naar deelname. We leren te zien dat het universum een dans is die groter is dan wij. Het ritme is niet van ons. Maar het universum nodigt ons wel steeds uit om mee te bewegen.
Herstel is niet gebouwd op hoop
Dit betekent niet dat vertrouwen een vorm van naïeve positiviteit is. De pijn van gebroken vertrouwen is werkelijk. Niemand is daarin alleen, iedereen weet hoe het voelt om verrraden te zijn. We zijn allemaal verraden – door anderen, door omstandigheden, soms door onszelf. Bij sommigen begon dat al vroeg in het leven, bij anderen later. Deze ervaringen verdienen erkenning. Maar vertrouwen ligt tegelijk in de erkenning dat het hier-en-nu, per definitie niet het toen-en-daar is. Dit moment is anders. Het is misschien nog steeds niet leuk of fijn of met minder verdriet. Maar tegelijk is alles anders. Daar mogen we op vertrouwen. Het is het vertrouwen in het grote niet-weten: we weten helemaal niet wat gaat komen. Sterker; vaak weten we niet eens wat er is.
Zo leren we dat vertrouwen soms juist ontstaat op de bodem. Wanneer er niets meer over lijkt te blijven behalve de adem. Wanneer je je gebroken of verloren voelt en toch ergens ervaart: dit is niet het einde van het verhaal. Ook daar begint de boodschap van de Boeddha. Zijn Eerste Nobele Waarheid luidde immers: er is dukkha – er is lijden. Maar dat was nooit het einde van zijn boodschap. Het was het begin. De boodschap was – en is – lijden hoeft je niet te definiëren. Je kunt opnieuw beginnen.
Op de tombe van Rumi staan de woorden: “Kom, kom, wie je ook bent – zwerver, aanbidder, levensgenieter. Ook al heb je je gelofte honderd keer gebroken. Ons pad bestaat niet uit wanhoop.” Of anderen hun beloften aan ons hebben gebroken, of wij onze eigen geloften hebben geschonden: we mogen doorgaan. Niet vanuit wanhoop. Niet om aan angst te ontsnappen. Maar vanuit een dieper vertrouwen. Herstel ligt niet ergens in de toekomst. Het ligt in de relatie met dít moment – het enige moment dat werkelijk bestaat. De Boeddha bood een pad om om te gaan met verlies, falen en verraad door deze ervaringen te zien als onderdeel van het menselijk bestaan. Ze horen bij de grenzen van onze menselijke conditie. Ze betekenen niet dat er iets mis is met ons: ze wijzen ons erop dat het leven om onze liefdevolle aandacht vraagt.
De basis voor herstel ligt in het hart dat vertrouwt
Je kunt blijven leven vanuit wantrouwen – voortdurend angst vermijden en hopen op een bodemloze zekerheid die er niet is. Dan blijf je rusteloos zoeken. Of je kunt leren de onzekerheid te ontvangen, met adem, nieuwsgierigheid en openheid. Dan ontstaat er werkelijk contact met het leven zoals het zich aandient. Dan leer je dat jij de grond vormt waarop de ervaring rust. Soms is die ervaring pijnlijk. Soms mooi. Meestal iets daartussenin. Maar wanneer je het leert toelaten, groeit er vertrouwen dat dit het leven zelf is. Het hart opent zich en je leert te dansen met het leven: soms met tranen, soms met vreugde.
Wat zich ook aandient, het is de uitnodiging van het bestaan: vertrouwen in de vergankelijkheid van alles, terwijl je dit moment volledig ervaart. Helder te zien wat er is. Diep te ademen. Aanwezig blijven. Zoals de oude zenmeesters zeggen:
“Verlichting vindt haar vervulling in een hart vol vertrouwen.”

