Hoe het boeddhisme ons leert omgaan met verlangen en zucht in herstel.

door | boeddhisme, Herstel van verslaving

Zucht in herstel en de boeddhistische kunst van het vaardige onderscheid

“O, edele van afkomst, onthoud wie je werkelijk bent. Onthoud je heelheid, je oorspronkelijke goedheid, de waardigheid die in jou is geboren.”
— uit: Tibetaans boek van de doden

In het proces van ons herstel heeft verlangen geen goede reputatie. Dat geldt voor de boeddhistische beoefening, maar zeker ook voor herstel van verslaving. In de westerse vertaling van de Vier Nobele Waarheden wordt verlangen genoemd als oorzaak van dukkha: het lijden in ons bestaan. Als we die logica volgen – dat het wegnemen van de oorzaak dus ook de gevolgen van die oorzaak opheft – dan zouden we kunnen zeggen dat, wanneer we ons verlangen opheffen, we daarmee ook het lijden van onze verslaving kunnen opheffen. 

Maar tegelijk weten we, puur vanuit onze ervaring met verslaving, dat mensen geen zuiver logische wezens zijn. Zeker vanuit onze verslaving weten we immers dat wij als mensen ons heel stellig kunnen voornemen: nooit meer, vanuit het besef dat iets schadelijk voor ons is. Om in het volgende moment toch te denken: ‘Nooit begint pas morgen. Nu wil ik dat koekje, die sigaret, dat middel, die website.’ Verlangen, kortom, zit diep in ons en het is niet ontzettend vaardig om te proberen dat verlangen met cognitie te beheersen. Het hart laat zich niet controleren door het brein. Dus waar zit dan de werkelijke sleutel tot bevrijding?

Verlangen zelf is niet het probleem

Vanaf het begin van ons bestaan bewegen we ons naar voedsel en genot en trekken we ons terug van pijn en gevaar. Wij zijn verlangende wezens. Zoals iemand het ergens op het internet mooi formuleerde: ‘Proberen je verlangen op te geven is als de chocoladekoekjes voor jezelf verbergen. Je kunt ze verstoppen. Maar jij bent nog steeds degene die weet waar ze liggen.’

En we kennen allemaal overeenkomstige verhalen uit onze verslaving. We gooiden vastberaden onze sigaretten weg en stonden vervolgens midden in de nacht bij het tankstation om een nieuw pakje te kopen. Het verlangen is er nog steeds. We kunnen de illusie hebben dat we in staat zijn om ons verlangen uit te bannen. Maar in feite houden we onszelf voor de gek. Doen alsof het er niet is, is nog steeds doen alsof.

Het is dan ook de vraag of de Boeddha werkelijk bedoelde dat we het verlangen moesten elimineren. De Boeddha was een wijs man en hij had een diep inzicht in de werking van de menselijke aard. De Boeddha wist dat verlangen nu eenmaal een fundamenteel onderdeel vormt van het mens-zijn. We verlangen als mensen naar eten en naar water, naar liefde, veiligheid, erkenning, succes, bezit en verbinding. Daar is op zichzelf niets mis mee.

Zonder eten en drinken gaan we immers dood. Zonder erkenning kunnen we het gevoel krijgen dat we er niet toe doen en raken we gemarginaliseerd. We worden dan schimmen in de samenleving die zich verlaten voelen. Zonder menselijke verbinding raken we geïsoleerd en kwijnen we weg.

Dus hetzelfde verlangen dat ons in beweging zet om te leven, kan ons eveneens gevangenhouden. Genegeerd verlangen kan transformeren tot een obsessie. Het kan ons lichaam ruïneren, onze geest vertroebelen en onze blik vernauwen. Om die reden gebruikte de Boeddha voor het woord ‘verlangen’ in de teksten rondom dukkha eigenlijk het woord ‘dorst’, gedifferentieerd in het onderscheid tussen ‘chanda’ en ‘tanha’. Chanda is de gezonde ‘dorst’, de dorst van het leven. Chanda is de levenslust, het is de dorst die ons in leven houdt, zodat we gezond en verfrissend water drinken. Tanha is daarvan de getransformeerde, geperverteerde vorm. Het is destructieve dorst. Dit is het schadelijke ‘verlangen’, het méér willen dan gezond is voor ons.  

Tegelijk is de onvermijdelijke werkelijkheid dat dorst nu eenmaal onderdeel is van ons mens-zijn. Dorst is onderdeel van ons evolutionaire overlevingsmechanisme. Het geeft ons het signaal dat we ergens behoefte aan hebben. In metaforische zin: om water te drinken. Dit is ‘chanda’. Dat deze dorst uit de hand kan lopen en in de schade kan uitlopen van ‘tanha’, betekent niet dat we de dorst zelf kunnen uitbannen: dan bannen we ons overleven uit.

Dus is het antwoord van de Boeddha op dukkha eigenlijk niet: ban het verlangen uit om zo het lijden uit je leven te bannen. Veel meer gaan de waarheden van de Boeddha over de vraag: ‘Op welk moment gaat ‘chanda’ – de gezonde dorst – over in ‘tanha’, de destructieve dorst? En zijn we in staat om dat onderscheid en het transformatieproces waar te nemen?

Zucht in herstel bij een mediterende vrouw in een veld van bloemen en een quote van Tara Bracht over hoe het observeren van verlangen kan leiden tot bevrijding

Dukkha en onze ‘hongerige geest’

Als mensen die werken aan herstel kunnen we dan ook leren dat het niet gaat om het onderdrukken of elimineren van verlangen. We kunnen leren onderscheid te maken tussen verlangen dat ons voedt en verlangen dat ons gevangenhoudt. Ons verlangen naar herstel is bijvoorbeeld een gezond en krachtig verlangen. Het probleem ontstaat wanneer verlangen verandert in een bepalende overtuiging: “Als ik dát krijg, dan ben ik eindelijk in orde.” Dat is immers de kernervaring van verslaving. “Als ik dat middel heb. Als ik dat ene gedrag kan uitvoeren. Als die ene persoon van me houdt. Als aan die ene voorwaarde is voldaan, dan is het goed. Dan heb ik of ben ik eindelijk genoeg.” 

Maar zo raken we gefixeerd op iets buiten onszelf. We verwachten extern de vervulling van een innerlijk tekort. Alleen: die verwachting faalt steeds opnieuw. Want net zoals we verlangen niet volledig kunnen uitbannen, kunnen we het ook nooit volledig vervullen. Zolang we leven, ademen en verlangen, zullen we nooit op een punt komen waarop alles voorgoed vervuld is. Dat is de onontkoombare werkelijkheid. Dit vormt de uiteindelijke waarheid van dukkha waar de Boeddha over sprak.

Het goede nieuws is echter dat volledige vervulling ook niet nodig is. Vaak proberen we ons verlangen simpelweg te vervullen met de verkeerde middelen. Na een lange werkdag belanden we bijvoorbeeld op de bank met een zak chips. Voor we het weten, is de zak leeg. Of we proberen een innerlijke honger te stillen met eetbuien, eindeloos scrollen, Netflix of ander gedrag, en voordat we het weten zijn we uren uit onze dag kwijt. We proberen iets te vullen, maar raken onszelf steeds meer kwijt. 

Dat komt vooral omdat we het verkeerde middel gebruiken. Met ‘verkeerd’ wordt hier niet bedoeld: moreel verkeerd. Het is niet inherent ‘slecht’; eerder gaat het om een misplaatsing. Een misvatting: we weten vaak niet dat er onder ons verlangen misschien een andere vorm van lijden ligt: leegte, zinloosheid, onvervuldheid. Iets wat eigenlijk om troost, verbinding of zelfzorg vraagt. Wat we verlangen, is namelijk niet altijd wat we werkelijk nodig hebben.

Achter het verlangen naar eten kan bijvoorbeeld de behoefte aan troost schuilgaan. Achter het brandende verlangen naar seks of een relatie kan behoefte aan verbinding of erkenning liggen. Achter het verkrampende verlangen naar controle kan een behoefte aan veiligheid schuilgaan. Maar wanneer we gewend zijn geraakt om steeds naar het middel te grijpen, raken we het contact met die onderliggende behoefte kwijt. Daarom is het zo belangrijk om te leren aanwezig te zijn. Bijvoorbeeld door meditatie, door de innerlijke stilte op te zoeken. Want juist daar ontstaat ruimte voor een veel diepere vraag: Wat bevindt zich eigenlijk onder mijn verlangen?

Het vaardige onderscheid tussen de voedende en de rottende vrucht

De wezenlijke vraag van herstel is daarom niet: Hoe kom ik van verlangen af? De vraag is: ‘Ben ik in staat om mijn verlangen waar te nemen zonder er onmiddellijk naar te handelen?’ Kan ik leren om het verlangen te verdragen? Kan ik onderzoeken welke vorm het aanneemt? Kan ik onderscheiden welk verlangen mij helpt en welk verlangen mij verder de problemen in leidt? 

Ajahn Chah, de leraar van meditatiebegeleider en psycholoog Jack Kornfield, gebruikte daarvoor een mooie metafoor. Stel je voor dat je onder een mangoboom zit. Aan het einde van het rijpingsproces vallen de mango’s op de grond. Je hebt dorst. Welke mango pak je? Als je goed kijkt, zie je dat er goede én rotte mango’s liggen. Je bent niet verplicht om iedere mango op te rapen. Je mag eerst kijken, waarnemen en zo vaardig leren om onderscheid te maken tussen de voedende en de rottende vrucht. Op deze manier leer je om zuiver te kiezen voor wat werkelijk verfrist en welke vrucht je dorst lest. 

Zo mogen we ook onze eigen verlangens onderzoeken. Niet alleen het object waarnaar we verlangen, maar vooral de ervaring van het verlangen zelf leren waarnemen. Op die manier kunnen we leren om onszelf door onze dorst heen te dragen. Zonder onmiddellijk te grijpen.

Uiteindelijk gaat herstel dus niet over het leren om niet meer te verlangen. Verlangen hoort bij het mens-zijn. Stoppen met verlangen zou betekenen dat we een deel van ons mens-zijn proberen uit te schakelen. En we weten dat het afstompen van emoties en het uitbannen van behoeften net zo goed gevolgen heeft – veelal destructief – voor onszelf, voor de mensen om ons heen. En uiteindelijk voor de wereld die ons omringt en waar we onderdeel van zijn. 

In plaats daarvan kunnen we – gezamenlijk bij Recovery Dharma Nijmegen – leren dat verlangen onderdeel van ons is, zonder dat het ons hoeft te bepalen. We kunnen aanwezig zijn met ons verlangen, zonder te grijpen. Zonder steeds méér te willen hebben of méér te willen zijn. En misschien ontdekken we dan iets eenvoudigs. Dat er, wanneer we werkelijk aanwezig zijn in dit moment — in de inademing en de uitademing — eigenlijk niets ontbreekt. Dat we juist hier, in dit moment, vrij kunnen zijn mét ons verlangen. Kortom: we zijn genoeg.