Over de ware betekenis van onthechting en herstel als het laten uitdoven van de brandende dorst!
Wat is het verschil tussen gehechtheid, hechting en onthechting? En wat heeft dat verschil te maken met verslaving en herstel? Deze blog legt het verschil tussen deze begrippen uit. Aan de hand van hechting, anatta, upādāna en virāga ontdek je vervolgens waarom juist het streven naar onthechting soms méér onrust kan veroorzaken. En waarom werkelijk loslaten misschien iets anders vraagt, namelijk om te leren de ervaring te laten uitdoven!
Op ons pad van herstel van verslaving combineren we bij Recovery Dharma psychologische inzichten met de spirituele wijsheden uit het boeddhisme. Vanuit empowerment leren we daarbij steeds beter begrijpen hoe onze verslaving op psychologische wijze functioneert. De boeddhistische Satipatthana, het Pad van Aandacht, de weg van mindfulness en meditatie, vormt daarnaast een belangrijk instrument op onze spirituele weg van herstel.
Tegelijk is het belangrijk dat we deze twee dimensies van de realiteit – de psychologische en de spirituele – niet door elkaar halen. Doen we dat wel, dan ontstaat er op den duur verwarring in de geest. Uit deze verwarring ontstaat vervolgens onrust. En vanuit onrust ontstaat het verlangen om te vermijden, te vluchten of te dempen. Dit is een proces dat we kennen. Het is het proces onderliggend aan onze verslaving. En we weten: zo ontstaat er schade in ons leven.
Tussen begrijpen en waarnemen: leren om helder onderscheid te maken
Het is dus van belang dat we werken aan helder inzicht. We zullen moeten leren zien dat beide dimensies – de psychologische en de spirituele – naast elkaar bestaan, dat ze elkaar niet uitsluiten en dat ze elkaar goed kunnen aanvullen. Maar dat we beide dimensies tegelijk niet met elkaar moeten verwarren. Het onderscheid tussen de absolute (spirituele) en de alledaagse (psychologische) werkelijkheid is daarbij geen vreemd onderscheid. Je komt het tegen bij zowel de moderne spirituele auteurs (denk aan Eckhart Tolle, die het op praktische wijze uitwerkt in ‘De kracht van het Nu’) als in de oude Yogasoetra’s van Patanjali uit de 2de eeuw voor Christus.
Het is bovendien een inzicht dat we niet hoeven te begrijpen, maar dat we vanuit onze meditatie en geconcentreerde aandacht zelf kunnen zien en waarnemen. Juist het denken staat dit proces van waarnemen vaak in de weg. Dit zien we in de beoefening regelmatig terug. We zien het onder meer wanneer we op het psychologische proces van de hechting het spirituele begrip van de ‘onthechting’ toepassen. Opnieuw treedt hier een fundamentele verwarring op.
Het misverstand tussen hechting en onthechting
Het door elkaar halen van verschillende dimensies van de werkelijkheid zie je ook terug wanneer we op het psychologische proces van de hechting het spirituele begrip van de ‘onthechting’ toepassen. Opnieuw treedt hier een fundamentele verwarring op. Hechting duidt op het gezond-psychologische ontwikkelingsproces dat wezenlijk is voor ons mens-zijn. Het is fundamenteel voor de ontwikkeling van een gezond (zelf)vertrouwen, voor een gezonde ik-vorming en voor de emotie- en stressregulatie.
Een veilige hechting zorgt er, vanuit een innerlijk gevoel van veiligheid, voor dat we de wereld kunnen exploreren en relaties kunnen aangaan. Een veilige hechting helpt ons tevens om de wereld met psychologische flexibiliteit te ontvangen, óók wanneer we tegenslagen, verlies of zelfs trauma ervaren. Veilige hechting helpt ons op deze manier om met innerlijke veerkracht in het leven te staan.
Zonder deze veilige hechting lopen we dan ook vaak tegen problemen aan. Bij onveilige hechting kan er een voortdurend, diffuus en onderliggend gevoel van onveiligheid, angst en onrust ontstaan, zowel in de relatie met anderen als met de wereld. Deze onderhuidse angst, het gevoel van onrust of onveiligheid, is misschien iets wat we vanuit onze verslaving herkennen. En er is inderdaad steeds meer wetenschappelijk onderzoek dat erop wijst dat, naast traumaproblematiek, ook (onveilige) hechting een wezenlijke rol kan spelen bij het ontstaan van verslaving.
Verslaving kan zo begrepen worden als een vorm van zelfmedicatie voor het voortdurende gevoel van onrust, onveiligheid en diffuse angst dat samenhangt met ongediagnosticeerde hechtingsproblematiek. Een stoornis in de hechting is daarmee ook psychologische problematiek. Het is geen spiritueel probleem. Door een spiritueel begrip als ‘onthechting’ op psychologische hechtingsproblematiek toe te passen, maken we een fundamentele fout: we halen twee dimensies door elkaar. Onthechting is géén antwoord op hechtingsproblematiek.
Onthechting als antwoord op gehechtheid
Als we het toch willen hebben over ‘onthechting’, dan doen we dat binnen de spirituele dimensie. Binnen deze dimensie vormt ‘onthechting’ wel een antwoord, maar dan op de ‘gehechtheid’. Gehechtheid wordt daarbij vaak gezien als een conditie van de geest die tot lijden leidt. Om dit op te lossen zetten we er een activiteit tegenover om die conditie op te heffen: we moeten ‘onthechten’. Maar in het Pali — de oorspronkelijke taal van de Boeddha — staat het er net iets anders. Voor gehechtheid staat namelijk ‘upadana’ — vastklampen.
Upadana is geen toestand waarin de geest verkeert: het is iets wat de geest doet. Gehechtheid, dat is het aapje dat in de geest rondspringt en zich voortdurend vastklampt aan de volgende liaan. De geest springt van verhaal naar emotie, naar herinnering, naar plan en verder. Steeds klampt de geest zich vast. Dit is wat de geest doet: het creëert verhalen en neemt vervolgens voor waarheid aan wat eigenlijk voortdurend uit elkaar valt. Dit is wat gehechtheid is – en waarom het tot lijden leidt: als je probeert je vast te klampen aan een illusie, aan wat tussen je vingers doorglipt, dan leidt dat tot verdriet, frustratie, angst en verzet. Kortom: het leidt tot dukkha.

De ware betekenis van onthechting: virāga
Wat is dan het tegenovergestelde van deze activiteit van het vastklampen? Het is de geest die tot stilstand komt. Hier komen we bij het originele Pali-woord voor ‘onthechting’: virāga. Virāga wordt o.a. (naast de betekenis van ‘loslaten’) vertaald als ‘uitdoving’ of ‘vervaging’: het staat eigenlijk voor het uitdoven van het verlangen, van de dorst en de begeerte. Je kunt het vergelijken met een vuur dat je zelf hebt aangestoken, bijvoorbeeld met een emotie, herinnering, plan of verlangen. Dit vuurtje brandt nu in de geest. Maar het vuurtje begint steeds meer te storen, of zelfs pijn te doen. Dus je wilt het vuur doven.
Wat we vervolgens – vanuit onze conditionering – gaan doen, is dat we steeds meer hout op het vuur gooien, met onze plannen en herinneringen en emoties en verhalen waarom iets wel of niet zou moeten werken. En vervolgens willen we weten of het vuur al uit is. Dus blazen we nog wat meer in het vuur, in de verwachting dat daarmee het vuur dooft. Natuurlijk ontstaat hiermee juist het tegenovergestelde: het vuur laait weer op. We handelen onvaardig en vanuit een staat van verwarring en onwetendheid. We verwarren de ‘onthechting’ met iets wat we moeten doen. En dus handelen we om het vuur uit te krijgen. Maar juist ons handelen houdt het vuur in stand.
Waarom we dit doen? Omdat dit is hoe onze geest werkt. De geest doet. De geest is in beweging en we verwarren zo het spirituele pad met iets wat we met de geest moeten bereiken. Maar het spirituele pad vraagt iets anders van ons. Onthechting klinkt mooi en wijs. Maar wat het werkelijk van ons vraagt, is dat we zonder oordeel zien wat aanwezig is in ons leven.
Maar de werkelijkheid is: we zitten vaak vol oordelen. En we willen ook liever niet zien wat aanwezig is. Want wat er aanwezig is, is vaak pijn en modder, in allerlei vormen. Er is verdriet, angst, machteloosheid. Er is leegte, eenzaamheid, jaloezie en onzekerheid. Er is trauma, verlies en falen. En alsof dat niet voldoende is: onze geest vindt daar zelf ook nog eens wat van.
Loslaten leren begrijpen als ‘laten uitdoven‘
Wat wijsheid vervolgens van ons vraagt, is om niet-te-doen. Om in plaats daarvan midden in de modder te gaan zitten. Te zitten bij het vuur. Te ervaren waar het brandt. Het vraagt ons waar het lijden zich in het lichaam bevindt. En het vraagt van ons of we daar dan aanwezig kunnen zijn, met liefde en aandacht, met zorg en bewustzijn, bij de pijn, bij het vuur, bij de wonden. Soms vraagt het daarbij zelfs van ons dat we midden in het vuur gaan zitten.
Niet letterlijk natuurlijk, maar in metaforische zin. We kunnen immers echt ervaren dat ons verlangen door ons heen brandt. Het kan echt voelen alsof onze ingewanden in brand staan, ons hart verschroeit, midden in de zucht, in de craving, in de begeerte. We zitten dan midden in het vuur. En de oefening van viraga vraagt ons daar te blijven zitten. Dus laten we de vlammen recht door ons hart slaan. We voelen de pijn, het verdriet, de onmacht, de razernij, de eenzaamheid.
We zien en we zijn – met zorg, compassie, aandacht en troost – aanwezig bij de pijn. We zien, ervaren, nemen waar. En dan zien we plotseling dat de werkelijkheid zich als vanzelf voor ons ontvouwt: de ervaring dooft langzaam uit. Het dooft uit. We zien de waarheid van viraga voor onze ogen plaatsvinden. Juist door niet-doen, vindt de uitdoving plaats. Zonder onze inmenging, zonder onze activiteit, dooft het vuur zelf uit.
Dit is viraga. Dit is de werkelijke onthechting leren zien; loslaten leren begrijpen als het laten uitdoven van de ervaring. Het vuur brandt zichzelf op en dooft uit. Maar het dooft pas uit als wij ophouden er hout in te gooien. Ook de zucht, de dorst, het verlangen en de begeerte kunnen op dezelfde manier uitdoven – als wij tenminste ophouden ze te voeden. Dat is immers het proces van de verslaving: het is steeds opnieuw het gooien van hout op het vuur, in de hoop dat het ophoudt met branden.
De werkelijkheid van het spirituele pad
Het spirituele pad vraagt van ons dat we leren om het branden te verdragen, om zo tot de uitdoving te kunnen komen. Er is geen tussenweg. Iedere handeling ertussen is feitelijk het voeden van het vuur. Om los te kunnen laten, moeten we eerst weten wat we vasthouden. En om te kunnen weten wat brandt, zullen we eerst ons eigen vuur moeten leren kennen. Dit vraagt echter om een fundament van innerlijke veiligheid – een gezond ‘Zelf’. Zolang er een onderliggende, onveilige psychologische hechting is, zal ons zenuwstelsel blijven schreeuwen om een vluchtweg. Samen kunnen we echter bouwen aan een innerlijke psychische container die groot genoeg is om de spirituele uitdoving toe te laten, zonder dat we verdrinken in de pijn.
Tegelijk is het goed om te begrijpen dat de boeddhistische beoefening geen cognitieve gedragstherapie is. Je hoeft het niet te begrijpen om de uitdoving toch te ervaren en door het geestesoog waar te nemen. Werken aan psychologische gezondheid kan daarbij naast spirituele volwassenwording bestaan en is soms zelfs noodzakelijk. Het niet-doen (viraga; laten uitdoven) is immers niet hetzelfde als niets-doen (kosajja – luiheid).
Niet-doen vraagt wel degelijk om inspanning. Het is de inspanning om te leren verdragen, met compassie en zonder te vluchten. Hoe dieper we dit onderscheid begrijpen, hoe meer we langzaam de ware betekenis van onthechting – van viraga – kunnen gaan zien voor ons herstel: herstel als het laten uitdoven van de brandende dorst.
Samen kunnen we oefenen in herstel als het laten uitdoven van wat lijden veroorzaakt in ons leven.

