Compassie en leren leven zonder pantser

door | Herstel van verslaving, Recovery Dharma Nijmegen

Over het hart van compassie bij herstel van verslaving en ‘survival of the nurtured’

Herstel van verslaving gaat over veel meer dan het simpelweg stoppen met een middel of destructief gedrag. Het vraagt dat we met compassie leren omgaan met pijn, onrust en kwetsbaarheid zonder opnieuw te vluchten in verdoving of controle. Daarbij blijken wilskracht en discipline alleen niet voldoende. Juist het ontwikkelen van compassie – voor onszelf én voor anderen – vormt een onmisbare voorwaarde voor een stabiel herstel. In deze blog lees je waarom compassie zo’n ingewikkeld begrip kan zijn, zeker voor mensen die werken aan herstel van verslaving, en hoe hardheid vaak een overlevingsstrategie wordt in verslaving. En hoe we bij Recovery Dharma Nijmegen werken aan het ontwikkelen van moed om met compassie en zonder pantser te leren leven in ons herstel.

Vrouw die in zacht licht, omgeven door zachte doeken, mediteert ter illustratie bij een blog van Recovery Dharma Nijmegen over het leven zonder pantser en met compassie in herstel van verslaving.

“Enkel door de strijd los te laten en ons hart open te stellen voor de dingen zoals ze zijn, vinden we rust in het huidige moment. Dit is het begin en het einde van de spirituele beoefening.” (Jack Kornfield, uit ‘Het Wijze Hart’)

De innerlijke blindheid van verslaving

Werken aan herstel van verslaving kent allerlei uitdagingen. Een van de belangrijkste daarvan is wellicht om op gezonde wijze om te gaan met het verlangen de moeilijkheden die bij het leven horen uit de weg te gaan. Daar lag immers vaak ook de kern van het gebruik van onze verdovende middelen of ons destructieve gedrag: in de vermijding van de onrust die gepaard gaat met een leven dat nu eenmaal kwetsingen, hindernissen en frustraties kent, naast momenten van geluk, succes en liefde.

Want die twee kanten horen onlosmakelijk bij het leven. Rouw en verdriet bestaan niet zonder liefde en zorg. Succes staat vaak in het voetspoor van falen en, zoals het cliché gaat: zonder weerstand geen glans. Bij verslaving zien we echter vaak een vorm van innerlijke blindheid ontstaan, omdat we deze werkelijkheid niet meer lijken te kunnen verdragen. We maken van het leven zelf een tweedeling: wij tegen de wereld, ik tegen de ander. Het recht van de sterkste; er kan maar één aan de top staan. En tegelijk kunnen we die zelfgecreëerde wereld nauwelijks verdragen. Dus vluchten we.

De illusie van onverschilligheid

Met onze verslaving probeerden we ons dan ook vaak onverschillig te maken voor het lijden dat we onszelf en de ander aandeden. Of in ieder geval houden we de illusie van die onverschilligheid in stand. Daarvoor hebben we tegelijkertijd steeds opnieuw, en vooral steeds meer, van ons middel of ons destructieve gedrag nodig. Zo houden we de vicieuze cirkel van verslaving zelf in stand. Vanuit boeddhistisch perspectief blijven we daarmee het Wiel van Samsara — het rad van leven, dood en wedergeboorte — draaiende houden: we bestendigen ons eigen lijden door ons lijden te blijven vermijden.

Om in ons herstel dat lijden dan uiteindelijk werkelijk onder ogen te kunnen zien, is er wel iets nodig. Het gaat niet alleen om de moed om stil te staan. En ook discipline en doorzettingsvermogen alleen, blijken vaak niet genoeg. Wie het pad van herstel in z’n eentje probeert te bewandelen, met de tanden op elkaar en met de vuisten gebald, zal vroeg of laat merken dat de energie opraakt. Niet omdat er onvoldoende moed, morele wilskracht of discipline zou zijn. Maar omdat er een fundamenteel element mist dat we moeilijk uit onszelf kunnen opbrengen. Dat element is compassie. 

Een complexe relatie met compassie

Compassie is voor velen een ingewikkeld woord. Zelfs als we prima in staat zijn compassie voor de ander te voelen, en zorgzaam en medelevend te zijn voor vrienden, kennissen of familie, ontbreekt diezelfde houding vaak tegenover onszelf. Misschien verdient de ander wel liefde en zorg. Maar wij? Ik? Zorg voor mezelf? Onszelf met liefde omarmen? We weten vaak niet hoe. En voorbij dat onvermogen — onderliggend aan het simpele niet goed weten: hoe dan? — ligt soms nog iets wat dieper gaat. 

Er bestaat een afkeer. Alsof compassie iets is wat we niet verdienen. Alsof we de zorgzaamheid voor onszelf niet waard zouden zijn. Of nog fundamenteler, onderliggend bestaat er angst. Als we compassie voor onszelf toestaan, verliezen we misschien iets. Onze discipline. Ons doorzettingsvermogen. Onze hardheid. Ons pantser. En daar raken we de kern. Ons pantser. In onze verslaving, maar ook daarbuiten, daaraan voorafgaand, hebben we vaak geleerd dat we een pantser nodig hebben om te overleven. 

Diep van binnen zijn we gaan geloven dat onze hardheid ons redt. Dat kwetsbaarheid, of het vragen om zorg, hulp, nabijheid of compassie, gevaarlijk is. Onze voorbeelden leerden ons dat hardheid de regel was. Onze omgeving vertelde ons dat cognitie, de harde logica, ons zou redden. Met de ellebogen – en desnoods met onze vuisten: dat was de weg. Compassie en zorg waren zwak. En dus gebeurde er een van twee dingen: ofwel we bouwden een pantser rondom ons hart. Of we zagen toe hoe ons hart brak.

“Survival of the nurtured”

Bijna iedereen die werkt aan herstel is kenmerkend opgegroeid met deze centrale boodschap: survival of the fittest. Het jongetje dat z’n eerste biertje kreeg van zijn vader: “Hier, krijg je haar van op je borst.” Het vriendje dat een jointje aanbiedt: “Kom op, relax, iedereen doet het!” De opgroeiende jonge vrouw die voor het eerst leerde dat het zich ontzeggen van de familiemaaltijd een gevoel van autonomie over het eigen lichaam en grip op de omringende, chaotische wereld opleverde. En te midden van een eindeloze stroom aan social ‘reels’ pompt op een flikkerend schermpje nog een shot dopamine door de hersenen, met knipperende letters schreeuwend in ons mentale oor:

“Survival of the fittest: Word een winnaar en wed dat je nu scoort!”

In een wereld die draait om het recht van de sterkste en die gericht is op verleiding en angst, kracht en controle, lijkt er weinig ruimte voor compassie of empathie. Maar hechtingswetenschapper, therapeut en psycholoog Louis Cozolino zet daar in zijn boek ‘Neuroscience Of Human Relationships’ iets radicaals tegenover – een boodschap die heel wezenlijk is, maar veel minder vaak gehoord: We’re not survival of the fittest; we’re survival of the nurtured.”

We overleven niet omdat we de sterkste zijn. We overleven omdat we voor elkaar zorgen. 

Een moeder kijkt liefdevol naar een zuigeling in haar armen, met als overlappende tekst een quote van de psycholoog Louis Cozoline: "We're not survival of the fittest. We are survival of the nurtured," ter illustratie bij de blog over het belang van het ontwikkelen van compassie bij herstel van verslaving.

Compassie is een relationeel begrip

Geen enkele baby overleeft op grond van het recht van de sterkste. Een zuigeling overleeft omdat deze verzorgd wordt. Compassie, empathie, zorg en liefde maken overleven mogelijk. Het kind – en uiteindelijk De Mens – bestaat binnen een netwerk van zorg. Als mensen overleven we dankzij de gemeenschap die we zijn. Compassie is daarom een diep relationeel begrip. Het ligt aan de basis van samenwerking, van communitas, van gemeenschapsvorming – en daarmee van onze samenleving.

Vanuit dat perspectief krijgt compassie in herstel een fundamentele betekenis. Niet als aanvulling op moed, discipline en doorzettingsvermogen. Maar als wezenlijk onderdeel ervan. De ontdekking dat we een groot deel van ons leven hebben geleefd met innerlijke weerstand – en soms zelfs afkeer – tegenover compassie, kan dan een diep keerpunt zijn. Het inzicht dat compassie in de wortel van ons bestaan zit, kan een enorme doorbraak zijn. Misschien vormt het zelfs het enige en ware begin van herstel en de echte opening tot onze spirituele ontwikkeling.

Het Ontwaakte Hart: “Ook dit hoort erbij”

Voor het ontwikkelen van een volwassen vorm van compassie, voor jezelf en voor de ander, zijn eigenlijk vier elementen nodig: 1) Aandacht, 2) Belichaming en 3) De bereidheid tot handelen en actie. Het vierde, wezenlijke element voor een volwassen vorm van compassie is de bereidheid om alles wat zich aandient met een open hart te ontvangen. Dus niet alleen de aangename ervaringen die compassie ons brengen. Maar ook de weerstand, de pijn en het ongemak die we in ons hart dragen tégen compassie. 

Compassie betekent niet dat we alleen ruimte maken voor wat prettig voelt. Het vraagt juist om de bereidheid om aanwezig te blijven bij alles wat zich aandient. In de beoefening leren we dat door elke ervaring die opkomt waar te nemen als een golf, zoals die beweegt over het oppervlak van de oceaan. Steeds opnieuw kunnen we simpelweg oefenen in het zeggen: “Ook dit. Ook dit hoort erbij. Ook dit.”

Dit is het begin en het einde van de spirituele beoefening.

Door die zin te blijven herhalen vanuit inzicht en aandacht, ontstaat langzaam een ander besef. We zijn niet alleen de golven die opkomen en weer verdwijnen. We zijn ook de oceaan die al die golven draagt. We zijn onderdeel van een groter geheel van ervaringen – en niet alleen wij zijn daar onderdeel van. Dat geldt ook voor de ander en voor de wereld zelf. Hier breekt het inzicht van een volwassen compassie volledig door.

Binnen de boeddhistische traditie bestaat daar een woord voor: bodhisattva. Bodhisattva wordt vaak vertaald als ‘ontwaakt wezen’, maar omdat dit ‘ontwaken’ vooral wijst op het wakker worden van de intentie tot wijsheid, compassie en liefdevolle vriendelijkheid, is de diepere betekenis eigenlijk: het Ontwaakte Hart. Dit is het gewaarzijn van de verbinding met onszelf en daarbinnen, met de ander en met de wereld.

In Recovery Dharma werken we eigenlijk bij iedere bijeenkomst gezamenlijk aan het herstel van deze wezenlijke verbinding. Omdat we beseffen dat ons herstel, en daarmee ook de kern van ons Spirituele Pad, daar begint: te leren leven vanuit verbinding. In de verbinding ligt de zin en de betekenis van ons herstel.

Te oefenen in ontwaken, verbonden met al wat in ons hart aanwezig is, hier en nu.